Advies en begeleiding bij muzikaal-erfgoedzorg

 

Het Brussels Conservatorium kon haar collectie verrijken met een werk van Paul Gilson.

In het muzikaal erfgoed worden er nog regelmatig belangrijke ontdekkingen gedaan. Zo kon vorig jaar de bibliotheek van het Brussels Conservatorium haar collectie verrijken met de autograaf van het lang verloren gewaande eerste saxofoonconcerto van Paul Gilson (1865-1942) uit 1902.

Paul Gilson (1865-1942) - 'vader van de Belgische blaasmuziek'

Saxofoon op voorschrift van de dokter

Het is een werk met veel verhalen en vragen eromheen. Een van die verhalen begint in Amerika, waar de gefortuneerde Elisa Hall uit Boston de opdracht geeft aan 17 Europese componisten, onder wie Paul Gilson, om een werk te schijven voor saxofoon. Die werken zou ze zelf uitvoeren.
Het feit dat ze saxofoon speelde, is op zich al merkwaardig, aangezien niet iedereen dit instrument als geschikt voor vrouwen beschouwde. De reden daarvoor was onder meer dat het draagkoord waaraan de saxofoon bevestigd was, de boezem te zeer zou accentueren. Een gegeven dat toentertijd onderwerp van discussie was in prestigieuze tijdschriften.

Gilsons concerto uit 1902 - teruggevonden in Zuid-Frankrijk (collectie KCB)

Toch had Elisa Hall een goede reden om precies dit instrument te kiezen: ze speelde saxofoon op doktersvoorschrift. Het was volgens haar echtgenoot, een gerenommeerd chirurg, een manier om haar toenemende doofheid te verhelpen. Intussen zijn de medische inzichten geëvolueerd, maar zijn therapie gaf wel een impuls aan het prille klassieke saxofoonrepertoire.
Dat een van haar opdrachten bij Paul Gilson terechtkwam, is niet verwonderlijk. Hij had al een reputatie opgebouwd als componist voor harmonie- en fanfare-orkesten en werd internationaal bekend met zijn orkestwerk De Zee (1892). Uitvoeringen van dit werk vonden onder meer plaats in New York, Amsterdam, Brussel, Keulen en München (1894), Berlijn (1894 en 1908), Pavlovsk nabij Sint-Petersburg (1896, 1897 en 1912), Genève (1897), Londen (1897 en 1905), en later in Warschau (1907), Groningen (1929) en Aken (1935). Met zijn cantate Sinaï had hij in 1889 een Permier Prix de Rome behaald, een onderscheiding die Elisa Hall als voorwaarde stelde voor haar compositieopdrachten. Voor haar componeerde Gilson het allereerste concerto voor saxofoon en orkest. Ook Claude Debussy (1862-1918) kreeg een compositieopdracht, al had hij minder ervaring met het instrument.

De autografen van alle composities die ze bestelde, kwamen terecht in een fonds, dat berust in het New England Conservatory in Boston. Allemaal, behalve één: het concerto van Gilson. Dat overigens nooit door haar, noch door iemand anders werd opgevoerd. De geruchten deden de ronde dat het werk te moeilijk was voor de amateurmuzikante die zij was.

De partituur leek sindsdien van de aardbodem verdwenen. Tot ze meer dan een eeuw later weer opdook en aangekocht werd door de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Brussel.

Verdwaald in Zuid-Frankrijk

Hoe zijn jullie dit verloren gewaande werk toch op het spoor gekomen?

Johan Eeckeloo (bibliothecaris Koninklijk Conservatorium Brussel): “Luc Vertommen, die als muzikant, dirigent en doctor in de kunsten gespecialiseerd is in blaasmuziek, bracht ons op de hoogte van de vondst. Hij was op zijn beurt gecontacteerd door een antiquair in Frankrijk, die de inboedel van het huis van een leerling van Jules Blangenois opgekocht had. Blangenois was een vriend van Gilson en die had hem veel van zijn composities toevertrouwd. Vervolgens kwamen die bij de leerling van Blangenois terecht, die dit pakket met zich meenam naar Frankrijk. Na zijn overlijden, vond de antiquair de bladmuziek bij zijn inboedel. Hij vermoedde dat dit wel iets waard zou zijn en ging op zoek naar geïnteresseerde kopers.

We wisten al lang van het bestaan van dit werk. Onder meer door twee autografen met klavierreducties in onze collectie (waarvan er één weliswaar onvolledig is). In de loop der jaren kwamen er vragen of we ook iets wisten over de partituur van het concerto zelf, maar daar vonden we geen spoor van terug. Zo groeide het vermoeden dat het concerto misschien nooit uitgewerkt werd, maar alleen in klavierreductie bestond.”

De klavierreductie van het concerto was al langer bekend (collectie KCB)

Orkestratie voor harmonie

Voor Kurt Bertels, saxofoonsolist en artistiek onderzoeker aan de VUB en het KCB, was deze vondst een godsgeschenk. Hij onderzoekt voor zijn doctoraat in de kunsten de Belgische saxofoonmuziek en uitvoeringspraktijk tijdens de belle époque en is vanuit die hoek nauw bij de zaak betrokken. Ook hij had al vergeefse speurtochten ondernomen naar het mythische eerste saxofoonconcerto van Gilson.

Kurt Bertels: “In het begin van de jaren 70 is er een orkestratie voor harmonieorkest gemaakt van dit concerto. Dat gebeurde door Yvon Ducène, kapelmeester van de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen. Waarop Ducène zich hiervoor baseerde, is niet geheel duidelijk. Paul Gilson maakte vaak kopieën van zijn werk; het is dus mogelijk dat hij ook van zijn eerste saxofoonconcerto een kopie maakte. In elk geval lijkt het erop dat Ducène gebruik gemaakt heeft van een symfonische versie en niet van de pianoreductie. Nu het concerto terug is opgedoken, zien we immers dat beide versies toch wel erg overeenkomen: je zou kunnen zeggen dat Ducènes versie dezelfde is als het originele, maar dat de strijkers vervangen zijn door de klarinetten. Er is bovendien een getuigenis van saxofonist Elie Apper die een partituur kreeg van commandant Simon Poulain, dirigent van de Koninklijke Muziekkapel, met de melding: “Deze partituur zal misschien nog van pas komen bij je saxofoonstudie.” Misschien was het dit concerto?

Anderzijds staan in Ducènes versie ongelofelijk veel fouten en is de harmonie ook veranderd. Zijn versie werd verschillende keren opgenomen, onder meer door Elie Apper en Norbert Nozy. Maar de harmonieën zijn veranderd onder invloed van die fouten.”

Gilsons moeilijke relatie met dit concerto

KB: “De autograaf van dit concerto draagt een stempel van SACEM (de Franse auteursrechtenmaatschappij) uit 1921. Waarom hij zolang wachtte om het werk te deponeren, is een open vraag. Hij had duidelijk een moeilijke relatie met deze compositie. Nooit vermeldde Gilson dit werk: niet in zijn radioprogramma’s, waarin hij wel naar de rest van zijn oeuvre verwees, en niet in zijn tijdschrift La revue musicale belge, waarin hij naar aanleiding van zijn 60ste verjaardag zijn belangrijkste werken opsomt.

Het komt evenmin voor in programmablaadjes of tijdschriften. Ik heb in elk geval geen enkel spoor gevonden en vermoed dat het nog nooit werd opgevoerd in deze versie. Ook niet in Amerika. Elisa Hall promootte het werk dat zij besteld had; dat deed ze onder andere voor de Chorale varié van Vincent d’Indy. Maar niet voor het concerto van Gilson. Dus vraag ik mij af of die muziek haar ooit bereikt heeft. Misschien werd de partituur nooit verzonden naar Amerika, wat meteen de afwezigheid verklaart in het New England Conservatory in Boston. Bovendien is haar naam in andere versies doorstreept, wat misschien wijst op een verbroken overeenkomst tussen haar en Gilson.”

Heb je het werk intussen al kunnen bestuderen? Wat is jouw mening over het werk?

KB: “Ondanks al het voorgaande, is het voor een saxofonist een historische uitermate belangrijke partituur. De meeste klassieke saxofonisten beginnen pas bij Glazunovs concerto uit 1934. Bovendien is dit werk zeer saxofinistiek geschreven. Gilson moet wel samengewerkt hebben met een saxofonist, want het ligt ongelofelijk goed in de vingers.”

Jij zal het concerto zijn wereldpremière bezorgen, meer dan 100 jaar na het ontstaan ervan.

KB: “We plannen een wereldpremière in 2020 met het Symfonieorkest Vlaanderen met een aantal concerten en een opname. Ik zal het concerto spelen op een historisch instrument en dat maakt de uitvoering wel een pak moeilijker. Want de saxofoon kende een enorme evolutie. Bij het tweede concerto van Gilson vonden we een briefje van hem waarop hij schreef dat hij wist dat de saxofoon enorm evolueerde omdat instrumentenbouwers het instrument in snel tempo verbeterden. Voor het tweede concerto maakt hij daarom enkele suggesties om zijn cadensen, mocht de solist ze te makkelijk vinden, virtuozer te maken. Als je die versies vergelijkt, dan is dat toch een groot verschil. Met een oud instrument is dat bijna onmogelijk te spelen. Gilson speelde zelf geen saxofoon, maar hij kende duidelijk wel saxofonisten en was goed op de hoogte van het instrument.”

Johan Eeckeloo (l) en Kurt Bertels (r) buigen zich over Gilsons saxofoonconcerto

Een plaats in de grootste muziekverzameling in België

Op welke manier is dit werk een aanvulling in jullie erfgoedcollectie?

JE: “Voor ons is deze ontdekking en aankoop uitermate belangrijk. Paul Gilson had niet alleen een band met deze instelling (hij doceerde er omstreeks de eeuwwisseling), maar ook zijn archief berust hier.

De erfgoedcollectie van het conservatorium heeft een bewogen geschiedenis die samenhangt met de regionalisering van België. Vroeger was dit één instelling, maar in 1966 wordt het conservatorium gesplitst in ‘twee autonome afdelingen’: een formulering die een zekere tegenspraak in zich draagt want het woord afdeling suggereert iets anders dan het woord autonoom. Toch werden niet alles gesplitst: het gebouw met de concertzaal, de instrumentencollectie (die een van de basiscollecties van het MIM werd) en de bibliotheek.
Als gevolg daarvan gebeurt het bibliotheekbeleid gezamenlijk door de twee autonome conservatoria. Beide bezitten ze sedert 1966 ook een eigen collectie die bestaat uit aankopen en schenkingen. Zo werd de collectie Gilson aan het Franstalige ‘Conservatoire’ geschonken. Het grootste deel van de verzameling, ongeveer 70 %, wordt echter gezamenlijk beheerd, maar het bijzondere is dat de bibliotheekgebruiker uiteindelijk niets merkt van die achterliggende structuur: de gebruiker kan de hele bibliotheek raadplegen als één collectie. En die collectie is de grootste muziekverzameling in België.”

De gemeenschappelijke collectie omvat ook de topstukken van het erfgoed?

JE: “Die behoren inderdaad tot de historische collectie, zoals de collectie Johann Westphal met handschriften van C.P.E. Bach en Telemann. De gemeenschappelijke collectie bevat voornamelijk het historische (17de, 18de eeuw) en internationaal erfgoed.

Maar ook in de recentere deelcollecties is er veel erfgoed, zoals de autografen van Belgische componisten en de archieven van bijvoorbeeld Peter Cabus, Vic Legley, Albert Delvaux en van muziekverenigingen. De erfgoedcollecties van de beide conservatoria zijn sterk verankerd in de Belgische muziekcultuur.

Een belangrijke aanvulling op de erfgoedcollectie is de elektronische bibliotheek: bijvoorbeeld de abonnementen op RIPM en RILM. Door die bronnen met full text online aan te bieden, beschermen we de erfgoedcollectie. Want veel oude tijdschriften of boeken zijn op fragiel papier gedrukt en hoe minder die geraadpleegd worden, hoe minder risico er is op beschadiging.”

Jullie kopen nog geregeld erfgoed aan?

JE: “We volgen wat er op de markt is en wat er voor ons haalbaar is. We kijken vooral naar opportuniteiten om de collectie aan te vullen, zoals bij deze autograaf van Gilson.
We staan ook open voor schenkingen, indien die aansluiten bij de collectie en indien de schenker geen onmogelijke eisen stelt. Dat hoeft overigens niet altijd uniek erfgoed te zijn. Zo kan het interessant zijn om een veelgelezen en versleten boek uit de bibliotheekcollectie te vervangen door een beter exemplaar dat je uit schenking hebt verkregen.”

Digitalisering van de collectie

Hoe functioneert de erfgoedcollectie binnen het kader van het conservatorium?

JE: “Die wordt vooral gebruikt voor artistiek en wetenschappelijk onderzoek vanuit het binnen- en buitenland. Vooral het 18de-eeuwse erfgoed wordt intens bestudeerd, al kan het recentere erfgoed op steeds meer belangstelling rekenen.

We nemen ook een aantal publieksgerichte initiatieven om het erfgoed in de kijker te zetten. Er zijn de webtentoonstellingen rond ons erfgoed (die toch wel vaak bekeken worden) en in een aantal vitrinekasten in de bib en in het conservatorium exposeren we regelmatig stukken uit onze collecties. En met onze facebookpagina promoten we ook onze erfgoedcollectie.
Het staat de docenten en studenten uiteraard ook vrij om het erfgoed te integreren in hun studie, onderzoek en uitvoeringen, maar het blijft een uitdaging om muzikanten te ‘verplichten’ om werkenuit te voeren louter en alleen omdat we een autograaf van een stuk hebben.

Om ons erfgoed bekender en gemakkelijker toegankelijk te maken, zijn we volop bezig met bladmuziek te digitaliseren en te uploaden op de Petrucci Music Library,  in afwachting van ons eigen digitale platform. Als dat er binnenkort zal zijn, zullen we nog altijd gebruik blijven maken van de Petrucci Music Library om vandaaruit bezoekers naar ons platform te leiden. Want als je niet aanwezig bent op een heel breed gebruikt platform, dan blijf je met je gedigitaliseerd materiaal geïsoleerd. En dat kan nooit de bedoeling zijn: erfgoed moet leven en blijven leven.”

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Het Brussels Conservatorium kon haar collectie verrijken met een werk van Paul Gilson.

In het muzikaal erfgoed worden er nog regelmatig belangrijke ontdekkingen gedaan. Zo kon vorig jaar de bibliotheek van het Brussels Conservatorium haar collectie verrijken met de autograaf van het lang verloren gewaande eerste saxofoonconcerto van Paul Gilson (1865-1942) uit 1902.

Paul Gilson (1865-1942) - 'vader van de Belgische blaasmuziek'

Saxofoon op voorschrift van de dokter

Het is een werk met veel verhalen en vragen eromheen. Een van die verhalen begint in Amerika, waar de gefortuneerde Elisa Hall uit Boston de opdracht geeft aan 17 Europese componisten, onder wie Paul Gilson, om een werk te schijven voor saxofoon. Die werken zou ze zelf uitvoeren.
Het feit dat ze saxofoon speelde, is op zich al merkwaardig, aangezien niet iedereen dit instrument als geschikt voor vrouwen beschouwde. De reden daarvoor was onder meer dat het draagkoord waaraan de saxofoon bevestigd was, de boezem te zeer zou accentueren. Een gegeven dat toentertijd onderwerp van discussie was in prestigieuze tijdschriften.

Gilsons concerto uit 1902 - teruggevonden in Zuid-Frankrijk (collectie KCB)

Toch had Elisa Hall een goede reden om precies dit instrument te kiezen: ze speelde saxofoon op doktersvoorschrift. Het was volgens haar echtgenoot, een gerenommeerd chirurg, een manier om haar toenemende doofheid te verhelpen. Intussen zijn de medische inzichten geëvolueerd, maar zijn therapie gaf wel een impuls aan het prille klassieke saxofoonrepertoire.
Dat een van haar opdrachten bij Paul Gilson terechtkwam, is niet verwonderlijk. Hij had al een reputatie opgebouwd als componist voor harmonie- en fanfare-orkesten en werd internationaal bekend met zijn orkestwerk De Zee (1892). Uitvoeringen van dit werk vonden onder meer plaats in New York, Amsterdam, Brussel, Keulen en München (1894), Berlijn (1894 en 1908), Pavlovsk nabij Sint-Petersburg (1896, 1897 en 1912), Genève (1897), Londen (1897 en 1905), en later in Warschau (1907), Groningen (1929) en Aken (1935). Met zijn cantate Sinaï had hij in 1889 een Permier Prix de Rome behaald, een onderscheiding die Elisa Hall als voorwaarde stelde voor haar compositieopdrachten. Voor haar componeerde Gilson het allereerste concerto voor saxofoon en orkest. Ook Claude Debussy (1862-1918) kreeg een compositieopdracht, al had hij minder ervaring met het instrument.

De autografen van alle composities die ze bestelde, kwamen terecht in een fonds, dat berust in het New England Conservatory in Boston. Allemaal, behalve één: het concerto van Gilson. Dat overigens nooit door haar, noch door iemand anders werd opgevoerd. De geruchten deden de ronde dat het werk te moeilijk was voor de amateurmuzikante die zij was.

De partituur leek sindsdien van de aardbodem verdwenen. Tot ze meer dan een eeuw later weer opdook en aangekocht werd door de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Brussel.

Verdwaald in Zuid-Frankrijk

Hoe zijn jullie dit verloren gewaande werk toch op het spoor gekomen?

Johan Eeckeloo (bibliothecaris Koninklijk Conservatorium Brussel): “Luc Vertommen, die als muzikant, dirigent en doctor in de kunsten gespecialiseerd is in blaasmuziek, bracht ons op de hoogte van de vondst. Hij was op zijn beurt gecontacteerd door een antiquair in Frankrijk, die de inboedel van het huis van een leerling van Jules Blangenois opgekocht had. Blangenois was een vriend van Gilson en die had hem veel van zijn composities toevertrouwd. Vervolgens kwamen die bij de leerling van Blangenois terecht, die dit pakket met zich meenam naar Frankrijk. Na zijn overlijden, vond de antiquair de bladmuziek bij zijn inboedel. Hij vermoedde dat dit wel iets waard zou zijn en ging op zoek naar geïnteresseerde kopers.

We wisten al lang van het bestaan van dit werk. Onder meer door twee autografen met klavierreducties in onze collectie (waarvan er één weliswaar onvolledig is). In de loop der jaren kwamen er vragen of we ook iets wisten over de partituur van het concerto zelf, maar daar vonden we geen spoor van terug. Zo groeide het vermoeden dat het concerto misschien nooit uitgewerkt werd, maar alleen in klavierreductie bestond.”

De klavierreductie van het concerto was al langer bekend (collectie KCB)

Orkestratie voor harmonie

Voor Kurt Bertels, saxofoonsolist en artistiek onderzoeker aan de VUB en het KCB, was deze vondst een godsgeschenk. Hij onderzoekt voor zijn doctoraat in de kunsten de Belgische saxofoonmuziek en uitvoeringspraktijk tijdens de belle époque en is vanuit die hoek nauw bij de zaak betrokken. Ook hij had al vergeefse speurtochten ondernomen naar het mythische eerste saxofoonconcerto van Gilson.

Kurt Bertels: “In het begin van de jaren 70 is er een orkestratie voor harmonieorkest gemaakt van dit concerto. Dat gebeurde door Yvon Ducène, kapelmeester van de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen. Waarop Ducène zich hiervoor baseerde, is niet geheel duidelijk. Paul Gilson maakte vaak kopieën van zijn werk; het is dus mogelijk dat hij ook van zijn eerste saxofoonconcerto een kopie maakte. In elk geval lijkt het erop dat Ducène gebruik gemaakt heeft van een symfonische versie en niet van de pianoreductie. Nu het concerto terug is opgedoken, zien we immers dat beide versies toch wel erg overeenkomen: je zou kunnen zeggen dat Ducènes versie dezelfde is als het originele, maar dat de strijkers vervangen zijn door de klarinetten. Er is bovendien een getuigenis van saxofonist Elie Apper die een partituur kreeg van commandant Simon Poulain, dirigent van de Koninklijke Muziekkapel, met de melding: “Deze partituur zal misschien nog van pas komen bij je saxofoonstudie.” Misschien was het dit concerto?

Anderzijds staan in Ducènes versie ongelofelijk veel fouten en is de harmonie ook veranderd. Zijn versie werd verschillende keren opgenomen, onder meer door Elie Apper en Norbert Nozy. Maar de harmonieën zijn veranderd onder invloed van die fouten.”

Gilsons moeilijke relatie met dit concerto

KB: “De autograaf van dit concerto draagt een stempel van SACEM (de Franse auteursrechtenmaatschappij) uit 1921. Waarom hij zolang wachtte om het werk te deponeren, is een open vraag. Hij had duidelijk een moeilijke relatie met deze compositie. Nooit vermeldde Gilson dit werk: niet in zijn radioprogramma’s, waarin hij wel naar de rest van zijn oeuvre verwees, en niet in zijn tijdschrift La revue musicale belge, waarin hij naar aanleiding van zijn 60ste verjaardag zijn belangrijkste werken opsomt.

Het komt evenmin voor in programmablaadjes of tijdschriften. Ik heb in elk geval geen enkel spoor gevonden en vermoed dat het nog nooit werd opgevoerd in deze versie. Ook niet in Amerika. Elisa Hall promootte het werk dat zij besteld had; dat deed ze onder andere voor de Chorale varié van Vincent d’Indy. Maar niet voor het concerto van Gilson. Dus vraag ik mij af of die muziek haar ooit bereikt heeft. Misschien werd de partituur nooit verzonden naar Amerika, wat meteen de afwezigheid verklaart in het New England Conservatory in Boston. Bovendien is haar naam in andere versies doorstreept, wat misschien wijst op een verbroken overeenkomst tussen haar en Gilson.”

Heb je het werk intussen al kunnen bestuderen? Wat is jouw mening over het werk?

KB: “Ondanks al het voorgaande, is het voor een saxofonist een historische uitermate belangrijke partituur. De meeste klassieke saxofonisten beginnen pas bij Glazunovs concerto uit 1934. Bovendien is dit werk zeer saxofinistiek geschreven. Gilson moet wel samengewerkt hebben met een saxofonist, want het ligt ongelofelijk goed in de vingers.”

Jij zal het concerto zijn wereldpremière bezorgen, meer dan 100 jaar na het ontstaan ervan.

KB: “We plannen een wereldpremière in 2020 met het Symfonieorkest Vlaanderen met een aantal concerten en een opname. Ik zal het concerto spelen op een historisch instrument en dat maakt de uitvoering wel een pak moeilijker. Want de saxofoon kende een enorme evolutie. Bij het tweede concerto van Gilson vonden we een briefje van hem waarop hij schreef dat hij wist dat de saxofoon enorm evolueerde omdat instrumentenbouwers het instrument in snel tempo verbeterden. Voor het tweede concerto maakt hij daarom enkele suggesties om zijn cadensen, mocht de solist ze te makkelijk vinden, virtuozer te maken. Als je die versies vergelijkt, dan is dat toch een groot verschil. Met een oud instrument is dat bijna onmogelijk te spelen. Gilson speelde zelf geen saxofoon, maar hij kende duidelijk wel saxofonisten en was goed op de hoogte van het instrument.”

Johan Eeckeloo (l) en Kurt Bertels (r) buigen zich over Gilsons saxofoonconcerto

Een plaats in de grootste muziekverzameling in België

Op welke manier is dit werk een aanvulling in jullie erfgoedcollectie?

JE: “Voor ons is deze ontdekking en aankoop uitermate belangrijk. Paul Gilson had niet alleen een band met deze instelling (hij doceerde er omstreeks de eeuwwisseling), maar ook zijn archief berust hier.

De erfgoedcollectie van het conservatorium heeft een bewogen geschiedenis die samenhangt met de regionalisering van België. Vroeger was dit één instelling, maar in 1966 wordt het conservatorium gesplitst in ‘twee autonome afdelingen’: een formulering die een zekere tegenspraak in zich draagt want het woord afdeling suggereert iets anders dan het woord autonoom. Toch werden niet alles gesplitst: het gebouw met de concertzaal, de instrumentencollectie (die een van de basiscollecties van het MIM werd) en de bibliotheek.
Als gevolg daarvan gebeurt het bibliotheekbeleid gezamenlijk door de twee autonome conservatoria. Beide bezitten ze sedert 1966 ook een eigen collectie die bestaat uit aankopen en schenkingen. Zo werd de collectie Gilson aan het Franstalige ‘Conservatoire’ geschonken. Het grootste deel van de verzameling, ongeveer 70 %, wordt echter gezamenlijk beheerd, maar het bijzondere is dat de bibliotheekgebruiker uiteindelijk niets merkt van die achterliggende structuur: de gebruiker kan de hele bibliotheek raadplegen als één collectie. En die collectie is de grootste muziekverzameling in België.”

De gemeenschappelijke collectie omvat ook de topstukken van het erfgoed?

JE: “Die behoren inderdaad tot de historische collectie, zoals de collectie Johann Westphal met handschriften van C.P.E. Bach en Telemann. De gemeenschappelijke collectie bevat voornamelijk het historische (17de, 18de eeuw) en internationaal erfgoed.

Maar ook in de recentere deelcollecties is er veel erfgoed, zoals de autografen van Belgische componisten en de archieven van bijvoorbeeld Peter Cabus, Vic Legley, Albert Delvaux en van muziekverenigingen. De erfgoedcollecties van de beide conservatoria zijn sterk verankerd in de Belgische muziekcultuur.

Een belangrijke aanvulling op de erfgoedcollectie is de elektronische bibliotheek: bijvoorbeeld de abonnementen op RIPM en RILM. Door die bronnen met full text online aan te bieden, beschermen we de erfgoedcollectie. Want veel oude tijdschriften of boeken zijn op fragiel papier gedrukt en hoe minder die geraadpleegd worden, hoe minder risico er is op beschadiging.”

Jullie kopen nog geregeld erfgoed aan?

JE: “We volgen wat er op de markt is en wat er voor ons haalbaar is. We kijken vooral naar opportuniteiten om de collectie aan te vullen, zoals bij deze autograaf van Gilson.
We staan ook open voor schenkingen, indien die aansluiten bij de collectie en indien de schenker geen onmogelijke eisen stelt. Dat hoeft overigens niet altijd uniek erfgoed te zijn. Zo kan het interessant zijn om een veelgelezen en versleten boek uit de bibliotheekcollectie te vervangen door een beter exemplaar dat je uit schenking hebt verkregen.”

Digitalisering van de collectie

Hoe functioneert de erfgoedcollectie binnen het kader van het conservatorium?

JE: “Die wordt vooral gebruikt voor artistiek en wetenschappelijk onderzoek vanuit het binnen- en buitenland. Vooral het 18de-eeuwse erfgoed wordt intens bestudeerd, al kan het recentere erfgoed op steeds meer belangstelling rekenen.

We nemen ook een aantal publieksgerichte initiatieven om het erfgoed in de kijker te zetten. Er zijn de webtentoonstellingen rond ons erfgoed (die toch wel vaak bekeken worden) en in een aantal vitrinekasten in de bib en in het conservatorium exposeren we regelmatig stukken uit onze collecties. En met onze facebookpagina promoten we ook onze erfgoedcollectie.
Het staat de docenten en studenten uiteraard ook vrij om het erfgoed te integreren in hun studie, onderzoek en uitvoeringen, maar het blijft een uitdaging om muzikanten te ‘verplichten’ om werkenuit te voeren louter en alleen omdat we een autograaf van een stuk hebben.

Om ons erfgoed bekender en gemakkelijker toegankelijk te maken, zijn we volop bezig met bladmuziek te digitaliseren en te uploaden op de Petrucci Music Library,  in afwachting van ons eigen digitale platform. Als dat er binnenkort zal zijn, zullen we nog altijd gebruik blijven maken van de Petrucci Music Library om vandaaruit bezoekers naar ons platform te leiden. Want als je niet aanwezig bent op een heel breed gebruikt platform, dan blijf je met je gedigitaliseerd materiaal geïsoleerd. En dat kan nooit de bedoeling zijn: erfgoed moet leven en blijven leven.”

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn